Afgelopen zaterdag stond er in de Volkskrant een uitgebreid interview met Bart Chabot, over zijn jeugd. Een jeugd waarin hij werd mishandeld. Hij beschrijft in prachtige zinnen hoe het voelde. Citaat uit zijn boek ‘Mijn vaders hand’: “Mijn jeugd werd een slagveld. Ik dwarrelde in stukjes en stukken uit elkaar en liet me langzaam opheffen.”

Wat me opvalt in het interview is zijn openheid maar wat me nog meer opvalt is de volgende vraag van de interviewster: “Wat me erg verbaasde in het boek is dat je uiteindelijk je moeder nog meermalen aan haar sterfbed hebt bezocht.” En na het antwoord van Chabot blijft ze hierover doorvragen.

Het leest voor mij alsof het bijna ongepast is dat Chabot compassie voor zijn moeder kan opbrengen op het moment dat zij stervende is. En dat is niet alleen in het geval van Chabot. Ook Manon Uphof zegt in een interview dat zij zich niet gaat verontschuldigen omdat zij van haar ouders heeft gehouden.

Waar komt dat vandaan, vraag ik me af. Het is toch heel normaal dat kinderen van hun ouders houden. En dat is over het algemeen niet anders voor kinderen die mishandeld worden. En als die kinderen dat doen, dan snappen we dat nog wel omdat ‘kinderen blijven altijd loyaal aan hun ouders’.

Maar als volwassene moet je bijna totaal afstand doen van de ouders die je als kind mishandeld hebben. En mogen de gevoelens van liefde, compassie, bewondering of wat er ook voor gevoelens zijn geweest, er niet meer zijn.
Waarom is dat?
Ik denk dat dit een manier is om een onbegrijpelijke situatie en onbegrijpelijk systeem enigszins begrijpelijk te maken. ‘Ouders die mishandelen zijn slecht en dus kan je niet van die mensen houden’.
Maar was het maar zo simpel. Ik heb heel lieve herinneringen aan mijn vader. Dat ik tijdens het ontbijt bij hem op schoot zat, en dat ik naar buiten wees en tegen hem zei: ‘moet u daar kijken’, en als hij dan uit het raam keek, at ik snel een stukje van zijn witte boterham met suiker op. En als hij dan weer naar zijn bord keek vroeg hij heel verbaasd ‘waar is mijn brood gebleven?’. Lief.

Maar diezelfde vader heeft mij seksueel misbruikt. Van mijn vijfde tot mijn achtste. En dat was absoluut niet lief. Maar die herinneringen wissen die andere, die lieve niet uit.
En dat maakt het zo ontzettend onverklaarbaar. Voor de slachtoffers, maar ook voor iedereen die er om heen staat.
Als mijn vader alleen maar slecht was geweest, dan was het voor iedereen gemakkelijker om stelling te nemen. Maar hij was ook aardig. Net zoals de ouders van de meeste slachtoffers, bijna allemaal hebben zij twee kanten.

Het is moeilijk om met die twee kanten om te gaan. En wat het nog pijnlijker maakt is dat het soms voelt dat het voor iedereen gemakkelijker is als de goede herinneringen gewist worden. Dat is makkelijker voor de omstanders, maar het doet geen recht aan alle gevoelens en emoties die de slachtoffers ten opzichte van de plegers hebben.